Alles over schaken

De hedendaagse vorm van schaken is ontstaan in Frankrijk in de 15e eeuw. Maar het schaakspel is al veel eerder ontstaan. Het eerste schaakspel werd gevonden in Perzië. Dit lijkt niet op de vorm van schaken die wij kennen in de huidige maatschappij. Over de Perzische vorm van schaken is nooit veel duidelijk geworden omdat dit te lang geleden is om informatie over te vinden.

Een schaakbord is een vierkant bord die 64 vakjes bevat. Aan de ene kant van het bord wordt de opstelling klaargezet van de speler met de zwarte stukken. Daar recht tegenover worden de witte stukken neergezet. Wanneer alle stukken op de goede positie staan, kan er worden begonnen aan het spel.

Schaakstukken en functionaliteiten

Er staan meerdere soorten schaakstukken op het bord. Elk soort stuk heeft zijn eigen eigenschappen en functionaliteiten.

  • Toren: Een toren kan alleen horizontaal en verticaal over het bord bewegen. Het is dus niet het geval dat een toren over andere stukken heen kan springen. Een toren mag net zo ver bewegen als hij kan zonder iets tegen te komen op het bord. Het is dus mogelijk voor een toren om meerdere vakjes tegelijk te passeren. 
  • Loper: Een loper beweegt horizontaal over het bord. Zoals bij de toren ook het geval was, mag de loper niet over andere schaakstukken springen maar mag wel meerdere stappen tegelijk zetten mits hij hierbij niets tegen komt.
  • Dame: Een dame kan gezien worden als een combinatie van een toren en een loper. Zij mag diagonaal, verticaal en horizontaal over het spelbord bewegen maar ook de dame mag niet over andere schaakstukken heen springen. Ze mag zo veel stappen doen in een richting als mogelijk is. 
  • Koning: De koning mag maximaal 1 stap zetten in alle richtingen. Er is wel een bijzondere regel voor de koning want hij mag nooit op een vakje worden gezet waar hij door de tegenstander direct kan worden geslagen. 
  • Paard: Het paard is het enige schaakstuk dat over de andere stukken mag springen. Naast deze speciale eigenschap mag een paard 1 stap horizontaal of verticaal zetten, direct gevolgd op een stap diagonaal. 
  • Pion: Een pion heeft als beweegrichting alleen maar vooruit en mag maar 1 stap per beurt zetten. Maar een pion mag ook diagonaal bewegen op 1 voorwaarde. Deze voorwaarde is dat een pion met een voorwaartse diagonale beweging een ander schaakstuk kan slaan. Zonder dat een pion diagonaal iets kan slaan, mag deze dus ook niet diagonaal bewegen. Wanneer een pion de overkant van het spelbord heeft gehaald, kan het worden gepromoveerd. Hierbij wordt de pion vervangen door een paard, dame, toren of loper.

Dit zijn alle basis spelregels van het schaken, natuurlijk is er nog veel meer te leren wanneer het aankomt op het gebied van schaken maar dit kan het best in de praktijk worden geleerd.